.


Een beknopte geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Apeldoorn (bron: Joods Historisch Museum)

Synagoge    Begraafplaats

De Joodse gemeente van Apeldoorn geldt als een van de jongste van Nederland, de synagoge aan de Paschlaan werd in 1890 ingewijd. Toch woonden er al rond 1770 -1780 enige uit Duitsland afkomstige Joden in Apeldoorn. Deze vielen onder de Joodse gemeente van Deventer. Vanaf 1855 werden er godsdienstoefeningen gehouden in een huis aan de Loolaan. Toen zich aan het einde van de 19de eeuw meerdere Joodse gezinnen in Apeldoorn vestigden, werd de synagoge met de aangrenzende leerruimte en het rituele bad gebouwd. Ook de school voor Joods onderwijs werd in 1890 opgericht.

Met de inrichting van een begraafplaats aan de Arnhemseweg twee jaar later maakte de Apeldoornse Joodse gemeente zich definitief los van de Deventerse. In de eerste decennia van de 20ste eeuw groeide de Joodse bevolking van Apeldoorn aanzienlijk, dit in tegenstelling tot de algemene tendens. De verklaring hiervoor ligt in de vestiging in Apeldoorn van enige centrale geneeskundige instellingen van het Nederlandse Jodendom. In 1909 werd het Centraal Israelietisch Krankzinnigengesticht Het Apeldoornse Bosch geopend. Deze instelling beschikte over een eigen synagoge. Het Paedagogium achisomog droeg vanaf 1925 zorg voor de opvoeding van geestelijk achtergebleven Joodse kinderen. De snel groeiende Joodse gemeente van Apeldoorn kende een rijk verenigingsleven; zo zorgde een vereniging voor kleding voor de patiënten van de beide zorginstellingen. Een andere organisatie probeerde het leven van de kinderen te veraangenamen.

Ook een apart begrafenisgenootschap voor mannen en voor vrouwen stond ten dienste van de Joodse gemeenschap. Er waren in Apeldoorn, tot voldoening van het kerkbestuur, geen armlastige Joden. Het culturele leven was georganiseerd in een toneelgezelschap, een literaire vereniging en een zang- en een ontspanningsvereniging. Zowel de Nederlandse Zionisten Bond als de Zionistische Jeugdbeweging waren actief in Apeldoorn. De ingang van het gesticht Apeldoornsche Bosch, ca. 19 In oktober 1941 werden in Apeldoorn 1549 Joden geregistreerd, waaronder een groot aantal vluchtelingen en patiënten en verplegend personeel van de beide verpleeginrichtingen. De arrestaties en deportaties begonnen al in een zeer vroeg stadium, in oktober 1941. In de loop van 1942 werden vele Joodse bewoners van Apeldoorn weggevoerd. Begin januari 1943 werden de overgeblevenen gearresteerd en overgebracht naar Het Apeldoornsche Bosch . Op 23 januari werden allen die op dat moment in de inrichting verbleven tezamen met de kinderen van Achisomog en hun verzorgers op transport gesteld.

Zij zijn bijna zonder uitzondering omgebracht in Auschwitz en Sobibor. Na de oorlog keerden ongeveer 150 mensen in Apeldoorn terug, hetzij uit de kampen, hetzij uit de onderduik. De synagoge aan de Paschlaan was in augustus 1941 in brand gestoken en zwaar beschadigd. De synagogediensten werden aanvankelijk thuis hervat, net als de Joodse lessen aan kinderen. In het Apeldoornsche Bosch werd in september 1947 een opvangcentrum opgezet voor enkele honderden Joodse kinderen, meest afkomstig uit Oost-Europa, die de oorlog hadden overleefd. De instelling Het Apeldoornsche Bosch werd voortgezet in Amersfoort in de Sinai-kliniek. Achisomog hervatte in 1946 zijn activiteiten en draagt tot op heden zorg voor moeilijk opvoedbare en zwakzinnige kinderen. Behalve een gedenkteken op de Joodse begraafplaats uit 1950 werd in 1990 in het Prinsenpark een door Ralph Prins ontworpen monument opgericht ter herinnering aan de deportatie van de patiënten en het personeel van Het Apeldoornsche Bosch . De synagoge aan de Paschlaan is herbouwd en in 1960 weer in gebruik genomen. Er worden nog steeds op de Hoge Feestdagen synagogediensten gehouden. De plaatselijke overheid draagt sinds 1988 zorg voor het onderhoud van de begraafplaats. In 1954 werd de Joodse gemeente van Hattem bij die van Apeldoorn gevoegd. In oktober 2000 hebben de Joodse gemeenten van Apeldoorn, Deventer en Zutphen zich formeel verenigd in de Joodse Gemeente Stedendriehoek.

Aantal Joden in Apeldoorn: 1809--13   1840--35    1869--23    1899--103    1930--1030    1951--112    1971--60    1998--24

 

Chanoeka                                                                                                         

 

In december wordt in Joodse kringen jaarlijks het Chanoekafeest gevierd. Chanoeka is het feest van de inwijding van de Tempel. Het wordt gevierd ter herinnering aan de heugelijke dag dat de Makkabeeën de Tempel in Jeruzalem opnieuw inwijdden, nadat zij de Syriërs verslagen hadden, in het jaar 165 voor de gewone jaartelling.

De koning van Grieks-Syrië, Antiochus IV Epiphanes, verbood alles wat niet paste in de Griekse cultuur. Het was verboden sjabbat te vieren, besnijdenissen uit te voeren en Tora-onderwijs te volgen. De Makkabeeën kwamen hiertegen in opstand en na een paar jaar van strijd kon de Tempel weer opnieuw worden ingewijd. Maar voor deze herinwijding had men olie nodig. De menora (zevenarmige tempelkandelaar) moest ontstoken worden. Volgens het verhaal konden de Joden slechts één kruikje bruikbare olie vinden, genoeg om de menora één dag te laten branden. Door een wonder brandde de menora echter acht dagen lang. En het kostte acht dagen om nieuwe, reine olijfolie te persen.

Na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 van de gewone jaartelling bleef Chanoeka als lichtfeest gehandhaafd. Chanoeka is het feest van het behoud van de eigen, Joodse identiteit. Thuis wordt acht dagen lang een lichtje aangestoken, elke dag eentje meer. De kaarsjes worden aangestoken met behulp van een extra lichtje, de sjammasj (dienaar). Uiteindelijk staan er acht kaarsjes, plus de sjammasj, in de chanoekia, een negenarmige kandelaar die alleen tijdens Chanoeka wordt gebruikt.

De kandelaar die gebruikt wordt voor Chanoeka wordt een chanoekia genoemd. Deze achtarmige chanoekia ontstaat in de late Middeleeuwen. Chanoekiot (het meervoud) komen in uiteenlopende stijlen voor. Er zijn grofweg twee hoofdtypen te onderscheiden: voor huiselijk gebruik een klein model en voor synagogaal gebruik een grotere, vrijstaande chanoekia. Ondanks de verschillende stijlen herken je een chanoekia meteen aan de acht lichtjes en een afzonderlijk negende licht. Deze lichtjes hebben een rituele functie en mogen niet gebruikt worden, behalve om naar te kijken, dus niet om bijvoorbeeld bij te lezen. Het negende lichtje wordt toegevoegd als sjammasj (dienaar) om daarmee de overige aan te steken.




↑ Top  

© Kerk en Israel - Veluwe 2019   - Leden -

Uw Internet Explorer versie is verouderd.

Deze website kan niet met deze browser worden bekeken!

Upgrade uw browser naar de laatste versie (Internet Explorer 8) of installeer een andere browser, zoals Firefox of Google Chrome)