.


’KERK, ’KERK, … WEES EERLIJK!’

Bijgaande notitie schreef Marinus ten Brinke namens onze classicale commissie Kerk & Israël Veluwe voor de PKN, cq de Protestantse Raad. Het is een pittige tekst waarvan een groot deel de geschiedenis van het (kerkelijk) antisemitime en de kerkelijke reactie daarop beslaat. Reeds zeventig jaar geleden sprak de kerk uit dat Israël ‘wezenlijk tot haar belijden’ behoort.

Tijdens de Kristallnachtherdenking op 8 november 2020 in de Rav Aron Schustersynagoge te Amsterdam heeft scriba dr. René de Reuver namens de PKN dan ook een Verklaring afgelegd m.b.t. de Holocaust en het antisemitisme (‘over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst’). Kortom, schrijft Ten Brinke, de kerk werd eerlijk. Maar dan. Wat zijn de consequenties van deze schuldbelijdenis van de kerk? Ten Brinke doet aanbevelingen.

De tekst is niet eenvoudig maar zeer interessant om te lezen en u zult veel herkennen van wat de auteur schrijft. Voor wie deze gehele tekst teveel van het goede is: U kunt ook beginnen te lezen bij het kopje ‘Conclusie uit bovenstaande’. Leest u dan ook: ‘Enkele voorstellen’ en ‘Besluit’. De bijlagen zijn ook interessant maar niet perse nodig om de strekking van het voorstel van Ten Brinke namens de classicale commissie Kerk& Israël te begrijpen. (BLJ)

‘Kerk …. wees eerlijk !’

Intro

De Amersfoortse emeritus predikant dr. A.A.A. Prosman schreef enkele jaren geleden het boek “De onverwerkte Holocaust – spiegel voor de kerk van nu”. Dit boek maakt schrijnend duidelijk hoe de kerk na de oorlog voorbijgegaan is aan de Holocaust. De kerk richtte haar aandacht wèl op het volk en de staat Israël. Er is sindsdien een beweging op gang gekomen van openheid voor het Jodendom. In Nederland bijv. werden leerhuizen opgezet, het OJEC (Overlegorgaan van Joden En Christenen) werd opgericht, in Israël werd een christelijke leefgemeenschap Nes Ammim gesticht om de dialoog en het vertrouwen tussen Joden en christenen te bevorderen. Maar voor het onvoorstelbare leed van de Holocaust was nauwelijks aandacht. In het blad “Israël Aktueel” (febr. 2020) staat een interview met dr. Prosman afgedrukt onder de titel “Kerk ….wees eerlijk!”.

Op de vraag “Schaamt u zich voor hoe de kerk zich na de Holocaust heeft opgesteld?” is zijn reactie: “Nou ...Dit jaar staan we stil bij 75 jaar bevrijding. Ik heb het moderamen van mijn kerk, de PKN, gevraagd: doen jullie hier iets aan en zeggen jullie dan nog iets aan het adres van de Joodse gemeenschap? Ik denk, dat dit een gelegenheid is die erom vraagt – ook omdat er in het verleden nog niets over het lijden van het Joodse volk is gezegd – dat dat nu eens een keer gebeurt. Als dat niet gebeurt, zal ik me wel schamen.”

En …. de kerk wèrd eerlijk! Tijdens de Kristallnachtherdenking op 8 november 2020 in de Rav Aron Schustersynagoge te Amsterdam heeft scriba dr. René de Reuver namens de PKN een Verklaring afgelegd m.b.t. de Holocaust en het antisemitisme (“over erkenning van schuld en onze verantwoordelijkheid voor de toekomst”). Deze Verklaring vormde in het jaar 2020 a.h.w. een sluitstuk van een intussen al gevormde reeks: excuses van de overheid bij monde van premier Rutte, van de Nederlandse Spoorwegen en van koning Willem Alexander (m.b.t. zijn overgrootmoeder). Ook is op de zondag erna (15 – 11 – 2020) in veel orthodoxe gemeenten in ons land een erkenning van nalatigheid en schuld voorgelezen, die kan worden beschouwd als een onderstreping van deze Verklaring.

Consequenties?

Er is reden tot dankbaarheid, dat vorig jaar de tijd er blijkbaar rijp voor was dat overheid, samenleving en kerk zich op bovenstaande wijze hebben uitgesproken. Tegelijk moet worden vastgesteld, dat het wel erg lang heeft geduurd. Reeds 75 jaar geleden eindigde W.O. II en dr. J.G.B. (Hans) Jansen publiceerde 40 jaar geleden “Christelijke theologie na Auschwitz”, deel I. Een schokkend boek, waarin de auteur aan de hand van een schat aan gegevens de anti-joodse houding en handeling van de kerk – de eeuwen door, vanaf de vroege kerk tot ver in de 20e eeuw – beschrijft.

Toch is in en na W.O. II in de Nederlandse Hervormde Kerk ten aanzien van de verhouding tot Israël wel het één en ander gebeurd:

* in 1942 wordt de Raad voor Kerk en Israël opgericht,

* in 1949 wordt het synodale geschrift “Fundamenten en perspectieven van belijden” aanvaard, waarin wordt uitgedrukt, dat Israël als een nieuw element in het belijden van de kerk, wezenlijk tot dat belijden behoort,

* eveneens in 1949 is besloten jaarlijks een Israël-zondag te houden (de 1ste zondag in oktober), waarop ”in de prediking uitkome, wat de plaats en toekomst van het Joodse volk is in de heils gang van het Koninkrijk Gods” en “de dienst drage in hoge mate het karakter van een gebedsure”,

* in december 1950 wordt de nieuwe kerkorde aanvaard, waarin onder het opschrift: 'Van het apostolaat der kerk' als eerste het gesprek met Israël wordt genoemd. De vraag is alleen, of met deze – op zich belangwekkende – besluiten, gevolgd door de in de Intro genoemde activiteiten en de recente erkenning van schuld, kan worden volstaan.

Voorgeschiedenis.

Al vanaf de eerste eeuwen van onze jaartelling tot in het recente verleden had het Joodse volk in de visie van de kerk helemaal geen “plaats en toekomst” meer in de heilsgang van het Koninkrijk Gods! Het Joodse “Nee” – Jezus kan niet de Messias zijn - en de schuld aan Zijn kruisdood had hen buiten Gods heilsplan geplaatst, met de Romeinse diaspora tot gevolg. De Kerk (met een grote K!) had de plaats van Israël ingenomen. Een visie die kolossale gevolgen bleek te hebben voor heel het kerkelijke “bedrijf” en voor de samenleving.

Enkele voorbeelden:

* De Hebreeuwse bijbel (Tenach) werd min of meer geannexeerd, de rangschikking van Thora, Profeten en Geschriften werd naar eigen inzichten gewijzigd en werd aangeduid met “Oude Testament”,

* In de vroege kerk werden door verschillende, tot op heden gerespecteerde en geciteerde kerkvaders anti-Joodse preken gehouden en – geschriften uitgegeven (“Adversus Judaeos”). Anti-Judaïstische uitleg van bepaalde Bijbelteksten heeft de eeuwen door gezorgd voor een voedingsbodem, waarop zich een volstrekt verwerpelijke bejegening van Joodse mensen heeft kunnen ontwikkelen (later aangeduid met: 'antisemitisme'). Met name die van Matth. 27:25, “Zijn bloed over ons en onze kinderen”, heeft in de Middeleeuwen gezorgd voor vele pogroms in de stille week en vooral op de Goede Vrijdag. Ook in het catechetisch onderricht en het godsdienstonderwijs werden Joden in een dermate negatief daglicht gesteld, dat Jules Isaac deze benadering typeerde als “catechese der verguizing”.

* Hitler en zijn trawanten hebben – al dan niet terecht, maar ze deden het – hun gruwelijke nazi-praktijken gerechtvaardigd door te verwijzen naar anti-Joodse geschriften, zoals “Von den Juden und ihre Lügen” van de Reformator Maarten Luther.

Noodzakelijkheid van wijzigingen.

Welnu, als onze kerk door de aanvaarding van het geschrift “Fundamenten en perspectieven van belijden” al ruim 70 jaar geleden heeft aangegeven, dat Israël wezenlijk tot het belijden behoort, dan is hiermee sprake van een verandering van paradigma (= een omvattende visie op een bepaald onderwerp). Dit “nieuwe” inzicht betekent, dat Israël nog steeds wèl een plaats heeft in Gods heilsplan. Het betekent tevens, dat de kerk helemaal niet in de plaats van Israël is gekomen. De apostel Paulus schreef al aan de gemeente te Rome: “U draagt de wortel niet, maar de wortel u” (Rom. 11:18b). Deze wijziging van paradigma moet grote gevolgen hebben voor heel het kerkelijke “bedrijf”. De kerk verhoudt zich n.l. niet langer slechts tot het Jodendom van Bijbelse tijden, maar evenzeer tot het huidige. In de Intro zijn hiervan enkele voorbeelden genoemd. De grote vraag is nu of we daarmee kunnen volstaan en als kerk verder kunnen doorgaan “op de oude voet”. Het brengt n.l. als opdracht met zich mee om allerlei thema's opnieuw te doordenken. Voor kerk en theologie betekent dit dat, voor zover dat nog niet het geval is, “Israël” verwerkt zal moeten worden in bijvoorbeeld verkondiging, teksten van kerkelijk belijden, liturgieën, liederen en catechese. Ook in dogmatische en andere theologische handboeken. Immers, zouden we inhoudelijk alles “bij het oude laten”, dan wordt “Auschwitz” in feite toch niet serieus genoeg genomen en blijven de contacten met de Joodse gemeenschap steken in respectvolle vrijblijvendheid. De gezamenlijke bestrijding van het antisemitisme is het enige dat dan nog kan worden gezien als een verbindende activiteit.

Enkele ervaringen van een kerkganger.

Dat er nog veel “werk aan de kerkelijke winkel” is moge blijken uit de onderstaande ervaringen van schrijver dezes als kerkganger.

1. In ochtenddiensten (m.n. van orthodoxe gemeenten) worden de 10 geboden voorgelezen – als spiegel en als regel voor het leven. Dat hiermee wezenlijke dingen aan de orde zijn is volstrekt helder. De vraag is alleen, of deze geboden, die door de Eeuwige via Mozes aan Israël zijn gegeven, in directe zin en in ongewijzigde vorm aan de christelijke gemeente kunnen worden voorgehouden (zie bijv. het vierde en vijfde gebod).

2. In veel erediensten is het belijden van het christelijk geloof een onderdeel van de liturgie, veelal in de bewoordingen van het Apostolicum of het Niceanum. Als Israël wezenlijk tot het belijden van de kerk behoort (zie boven) dan wordt een artikel over Israël, dat dit onder woorden brengt, in deze belijdenissen node gemist. Ontleend aan Genesis 1 wordt God als de Almachtige Schepper beleden, maar vervolgens worden – met voorbijgaan van heel het “Oude Testament” – alleen geloofsartikelen, gebaseerd op het “Nieuwe Testament” gezegd.

3. In de verkondiging zitten, ook als de (gast)voorganger zich goed heeft voorbereid, nogal eens keuzes, weglatingen of duidingen, die t.a.v. de visie op Israël de nodige vragen oproepen. Enkele voorbeelden (met telkens een andere voorganger):

a. Gen. 28:10-17. Kerntekst vs. 15a :”En zie, Ik ben met u”; met een lijn naar Matth. 28:20a Jacob te Bethel. De wederwaardigheden tussen Jacob en zijn vader, moeder en broer worden breed behandeld (als “een zondagschoolverhaal voor grote mensen”). Het mondt uit in Gods belofte: “Ik ben met u”. Dit wordt vervolgens meteen doorgetrokken naar de discipelen van Jezus en naar de gemeente van nu. Echter: geen wòòrd over vss 13a en 14: “dit land, waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven” en “Uw nageslacht zal talrijk zijn (…) en u zult zich uitbreiden naar het westen, het oosten, het noorden en het zuiden. In u en uw nageslacht zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden”.

b. Gen. 35:10-18. Jacob (voor de tweede keer) te Bethel. Aan vs. 10B: “en Hij gaf hem de naam Israël”, werd geen aandacht besteed.

c. Ps. 118:17,18. Jezus zong tijdens de viering van het “Pascha” de psalmen 113 t/m 118, het zgn. Hallel. Dat deze psalmen nog steeds tot de pesachliturgie van het Jodendom behoren bleef onbenoemd. In het algemeen geldt, dat psalmen, gezongen in de eredienst, door de gemeente worden beleefd als “onze“ psalmen. Hoe bijzonder het is, dat wij - christenen uit de heidenen - deze liederen met Israël mogen meezingen, blijft volledig buiten beeld.

d. Luc. 1:5-25. Naar aanleiding van vs 6 typeerde de voorganger Zacharias en Elizabeth als 'Godvrezende christenen'. In correspondentie hierover verwees hij naar Kol. 3 : 11 “Daarbij is niet Griek en Jood van belang (…) maar Christus is alles en in allen”.

e. Luc. 13:10-17. Genezing van een kromgebogen vrouw op de sabbat. Dat deze vrouw een dochter van Abraham is” (vs. 16), bleef onbenoemd

f. Joh. 10:1 – 15. De Goede Herder en Zijn schapen. De gemeente is de stal, de gemeenteleden en hun kinderen zijn de schapen + de lammetjes. Door vs. 16 (“Ik heb nog andere schapen, die van deze stal niet zijn...”, St.V.), buiten de lezing te houden, kwam de exegese dat met “stal” – in de eerste plaats - Israël wordt bedoeld, in de verkondiging niet aan bod. (Zie Matth. 15:24, waar Jezus zegt “Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël”; dit moet dus als een ontoereikende benadering worden beschouwd).

Conclusie uit bovenstaande.

Voor meerdere predikanten is het andere paradigma blijkbaar (nog) niet richtinggevend bij hun werkzaamheden in de kerk. Als dit in de prediking niet het geval is, moet de kans dat tijdens catechese-uren (voldoende) aandacht wordt besteed aan “Israël” als zeer klein worden ingeschat. Dit temeer, daar veel catechesemethoden over “Israël” zwijgen. Een en ander moet wel tot de teleurstellende conclusie leiden, dat in veel gemeenten de aandacht voor, en het juiste zicht op “onze oudste broeder” nog steeds minimaal is. Bij jongeren en jongvolwassenen blijft zodoende het beeld, dat zij van Israël hebben, hun leven lang bepaald door de Bijbelverhalen van de basisschool. Voor velen wordt dit beeld intussen meer bepaald door de berichtgeving over Midden Oosten problematiek. Bovendien is er een gerede kans dat onder ouderen nog denkbeelden bestaan, die door de zgn. vervangingsleer zijn gevormd.

Enkele voorstellen

1. In ons “Oude Testament” hebben de Bijbelboeken een andere volgorde dan in de originele Hebreeuws Bijbel. Voorstel: de volgorde van de Bijbelboeken in het “Oude Testament” in overeenstemming brengen met die van de Hebreeuwse Bijbel (zoals Pieter Oussoren in zijn Naardense Bijbel al heeft gedaan).

2. Het Apostolicum en het Niceanum zodanig uitbreiden, dat in deze teksten iets over (de God van) Israël wordt beleden.

3. Aangezien de Heilige Schrift vrijwel geheel door Joden is geschreven en zodoende doordrenkt is van Joods gedachtegoed, is het noodzakelijk dat elke academisch geschoolde voorganger Hebreeuws beheerst en het vak Judaïstiek heeft gevolgd. Voorstel: deze vakken plaatsen in het verplichte deel van de opleidingen aan de PThU.

4. Een groot deel van de dienstdoende predikanten heeft in hun opleiding Judaïstiek niet als keuzevak gevolgd. Voorstel: dit vak opnemen in het aangestuurde deel van de Permanente Educatie.

5.Recente dogmatische handboeken besteden (gelukkig!) aandacht aan “Israël”: – “Christelijke Dogmatiek” van dr. G. van den Brink en dr. C. van der Kooi bevat een hoofdstuk over Israël en het verbond”. – Dr. A. van de Beek heeft op “Spreken over God 1.1 : Jezus Kurios” zelfs een fors vervolg geschreven: “Spreken over God 1.2 : De kring om de Messias, Israël als volk van de lijdende Heer”. We kunnen dankbaar zijn voor deze ontwikkeling. Tegelijk is het de vraag of het voldoende is. Van de Beek schrijft : “De israëlologie beïnvloedt de christologie en omgekeerd, en samen en ieder afzonderlijk beïnvloeden ze alle loci” (“De kring om de Messias”, pag 24). Een zeer juiste opmerking. Echter, van deze wederzijdse beïnvloeding is niet veel te vinden. Jezus Kurios is als aparte uitgave in 1998 verschenen en, als vervolg hierop, zag “De kring om de Messias” in 2002 het licht. Ze zijn in feite los van elkaar geschreven. Ook in “Christelijke Dogmatiek” is van deze wederzijdse beïnvloeding weinig te bespeuren. Marquardt, die zich al veel eerder actief heeft bezig gehouden met de vraag hoe theologie te beoefenen na “Auschwitz”, wil om de door v.d. Beek genoemde reden dan ook niet van “Israël” als aparte locus in de dogmatiek weten. Voorstel: deze vaktheologen verzoeken hun dogmatieken (deels) te herschrijven zò, dat “Israël” niet in een apart hoofdstuk of apart deel wordt behandeld, maar wordt geïntegreerd in het geheel. Voor homiletische handboeken geldt hetzelfde (ook al zijn dit enorme 'klussen').

6. Tijdens catechese-uren dient “Israël” een vanzelfsprekend onderwerp te zijn. Voorstel: De auteurs van catechese-methodes verzoeken hun boekjes aan te vullen, met daarin opgenomen een groepsbezoek aan een synagoge/Joodse gemeente in de buurt, om uitleg te krijgen over het Joodse godsdienstig leven nu.

7. Sommige teksten in het dienstboek voor de eredienst en liederen in het Liedboek moeten mogelijk worden vervangen. Voorstel: dit als vraag voorleggen aan deskundigen op deze terreinen.

Besluit.

Bovenstaande overwegingen en voorstellen zijn geschreven vanuit een diep gevoeld besef van urgentie. Immers een belijdenis van schuld en erkenning van verantwoordelijkheid van onze kerk jegens de Joodse gemeenschap vragen om daden, die met onze manier van kerk-zijn alles te maken hebben. Deze brengen wellicht vanwege de wijziging van paradigma zoveel werk met zich mee, dat we daarvoor terugdeinzen en dan toch weer “op de oude voet” doorgaan. Echter, de vragen die al decennia geleden door iemand als Schalom Ben-Chorin gesteld zijn, dienen zich opnieuw op een welhaast knagende manier aan: – “kunnen wij, met de jaren van de Holocaust in gedachten nog zo bidden en zingen als wij tevoren deden, op de manier zoals onze vaders en voorvaders het hebben gedaan?” – “kunnen wij na Auschwitz nog geloven? Een vraag die joden zich stellen, maar die de christelijke theologie zich evenzeer moet stellen”. Ben-Chorin stelt deze aangrijpende vragen in zijn “En God bleef zwijgen” als hij in het Voorwoord al heeft geschreven dat “Auschwitz het bankroet betekende voor het christendom. Het waren gedoopte christenen, die zich daar en op talloze andere gruwelijke plaatsen in moord en massale vernietiging hebben vergrepen aan hun joodse broeders en andere medemensen”. De hierboven al genoemde Duitse theoloog Marquardt zocht na de verschrikkingen van de periode 1933 – 1945 radicaal nieuwe wegen om de verhouding tussen Israël en de kerk te doordenken. Volgens hem is de Holocaust van dermate schokkende betekenis voor de christelijke theologie, dat zij voortaan geen stellende antwoorden meer kan geven, maar vragen dient te stellen. De titel van zijn eschatologie “Was dürfen wir hoffen – wenn wir hoffen dürfen?” is hiervan een karakteristiek voorbeeld. Helaas moet worden vastgesteld, dat de respons op het bovenstaande – tot in de laatste decennia van de vorige eeuw – bijzonder mager is gebleven. Dr. S. Schoon schrijft dan ook in “De weg van Jezus: een christelijke heroriëntatie vanuit de joods-christelijke ontmoeting” : “Jarenlang ging het theologiseren na de grote vernieling (…..) door alsof er niets was gebeurd”.

Januari/Februari 2021 Marinus ten Brinke, voorzitter commissie Kerk & Israël, 'lid' Classicale Commissie Kerk & Israël Veluwe, Hervormde Gemeente Nunspeet

In onderstaande bijlage enkele citaten van theologen die zich intensief met vragen over de verhouding tussen Israël en de kerk hebben beziggehouden. Aan hun oproepen kunnen we niet zonder schade voorbijgaan.

Bijlage Dr. H. Vreekamp, 'Een onbedachte verhouding'; de plaats van Israël in een kerkelijke dogmatiek, Verkenning en Bezinning, deel 3, Kok, Kampen, 1991: “Het vak Judaïca verdient een blijvende plaats aan elke theologische faculteit. De nodige invloed zal hiervan kunnen uitgaan op de doordenking van het christelijk geloof in dogmatische zin.” (pag. 18) “Het gaat er om de verhouding tot het Joodse volk zò onder woorden te brengen, dat in alle loci van de dogmatiek de invloed van die verhouding herkenbaar wordt”. (pag 10)

Dr. K.A.D. Smelik,'Anti-judaïsme en de kerk', Ten Have, Baarn, 1993: “Pas wanneer men het jodendom werkelijk heeft leren kennen, kan men zich aan een dogmatische bezinning op de verhouding kerk en synagoge wagen (…) Zou het echter na de moord op het Joodse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog geen taak voor de dogmatiek kunnen en moeten zijn om een christelijke theologie te ontwerpen, waarbij het Jodendom niet langer functioneert als kader waartegen men zich afzet? (…) In dit verband is het opvallend hoe beperkt de invloed is, die de verschillende disciplines van de theologie op elkaar hebben. Sinds de jaren vijftig is onze kennis van het Jodendom ten tijde van Jezus buitengewoon toegenomen, onder meer door het onderzoek naar de Dode Zee rollen. Mede ook door de participatie van Joodse geleerden in het onderzoek naar Jezus en het Nieuwe Testament (bijv. David Flusser en Pinchas Lapide) zijn vele gangbare opvattingen over het Jodendom volledig achterhaald.(...) Door de stichting van de staat Israël is bovendien het perspectief op de Joodse geschiedenis volledig gewijzigd. Omdat de bekende theologen van de 20e eeuw de meeste van hun standaardwerken in een tijd schreven toen deze kennis nog niet buiten de kring van judaïci en nieuwtestamentici verbreid was, is een herziening van hun visies in het licht van deze nieuwe gegevens onvermijdelijk. Dit geldt zeker ook voor de dogmatische bezinning op de plaats van het Joodse volk binnen de leer van de kerk.” (pag. 130/131)

Dr. T. Brienen, 'De verkondiging in het juiste spoor'; de plaats van Israël in de Homiletiek en in de prediking, Verkenning en Bezinning, deel 7, Kok Kampen, 1993: “Wil er in de preken een neerslag komen van de onopgeefbare verbondenheid tussen Kerk en Israël en een verwerking van de op gang gekomen ontmoetingen tussen Christenen en Joden, dan zal in de hele theologische opleiding, niet alleen in de exegetische en dogmatische theologie, maar vooral in de homiletische vorming van toekomstige predikers aan Christelijke zijde duidelijk gemaakt moeten worden, welke rechtmatige plaats Israël toekomt in de verkondiging. Hierdoor zullen predikers gevormd worden die Israël in het vizier hebben en houden bij hun preken in de kerkdiensten en elders. Tot nu toe is daar niets of heel weinig aan gedaan, tenminste wanneer wij letten op wat daarover in de homiletische handboeken wordt vermeld. Hier is een achterstand in te halen. Ook in de zgn. preek-colleges, waar studenten oefeningen ontvangen in het preken en ook zelf preken moeten houden, zal hier wezenlijk aandacht geschonken moeten worden.” (pag.73/74) “Maar niet alleen de predikers moet een gevoeligheid eigen gemaakt worden voor de legitieme plaats en functie van Israël in de prediking, maar ook de hoorders, de gemeente zelf. Ook in de vorming en onderwijzing van de gemeente moet aandacht zijn voor Gods doorgaande heilshandelen met Israël”. (…) Aan de gemeente moet duidelijk worden, dat Israël nog altijd Gods volk is, dat Israël daarom nog volop meedoet in Gods heilshandelen door de tijden heen naar de voleinding der wereld. (…) Wanneer op de catechisatie deze dingen al aan de orde gesteld zullen worden, zal de gemeente van de toekomst niet meer (kunnen) bestaan en functioneren zonder de band met Israël te kennen en te praktiseren.”(pag. 74)

 

 

 


↑ Top  

© Kerk en Israel - Veluwe 2021   - Leden -

Uw Internet Explorer versie is verouderd.

Deze website kan niet met deze browser worden bekeken!

Upgrade uw browser naar de laatste versie (Internet Explorer 8) of installeer een andere browser, zoals Firefox of Google Chrome)